zaterdag 15 december 2007

Sharon Jones maakt geen oude muziek

Het is alsof je de grafkamer van Toetanchamon hebt geopend. Als je 100 Days, 100 Nights van Sharon Jones & The Dap-Kings hoort denk je dat je naar een vergeten soulmeesterwerk uit 1967 luistert. Want zulke authentieke, rauwe soul wordt helaas niet meer gemaakt. Men lijkt te zijn vergeten hoe het moet, als een uitgestorven taal. Niets is minder waar: het is uit 2007 en Sharon Jones maakt ouderwets kokend hete soul en funk alsof disco, 'arrenbie' en digitale opnametechniek nooit zijn gebeurd. En het is niet eens een gimmick.

De appel valt niet ver van de boom. Sharon Jones (1956) deelt dezelfde geboortestad als James Brown: Augusta, Georgia, maar groeide op in Brooklyn, New York. Al vanaf haar jeugd zong ze en in de jaren zeventig werkt de als achtergrondzangeres. In de jaren tachtig raakte haar rauwe stemgeluid uit de mode. Om de eindjes aan elkaar te knopen gaat Sharon aan de slag in de gevangenis op Ryker’s Island. Maar natuurlijk blijft ze zingen.

Midden jaren negentig tekende Sharon een contract bij het hippe New Yorkse funklabeltje Desco Records, dat aan de weg timmerde met huisband de Soul Providers (verantwoordelijk voor de soundtrack van de fictieve film The Revenge of Mister Mopoji, en die onder de naam The Daktaris een ronkende afrobeat-plaat maakten), soul shouter - en perfect James Brown imitator - Lee Fields, boogaloo-trio The Sugarman Three en afrobeat-formatie Antibalas Afrobeat Orchestra. Sharon bracht diverse singles en albums op Desco en opvolger Daptone, die goed ontvangen werden. 100 Days, 100 Nights is alweer de derde langspeler van The Queen of Funk en begint een aardige buzz te genereren.

Ik liet 100 Days, 100 Nights vandaag aan een vriend horen en die kon zich amper voorstellen dat het een nieuwe plaat was. Zo worden ze niet meer gemaakt. Hoe laat je muziek zo authentiek klinken?
“Zo ben ik gewoon. Kijk naar me, ik ben 51. Hier ben ik mee opgegroeid. Ik ben geboren in de jaren vijftig, groeide op in de jaren zestig, dus…”

Maar het lijkt wel alsof niemand meer zo kan spelen.
“Nou dat is goed. Ik ben een original, haha.”

In de jaren zeventig werkte je als achtergrondzangeres bij verschillende artiesten. Toen braken de jaren tachtig aan, en werd jouw stijl opeens ouderwets gevonden. Frustreerde dat je?
“Het frustreerde me niet. Ik verdiende gewoon mijn brood in het bruiloften- en partijencircuit, met achtergrondvocalen zingen en studiowerk enzo. Ik had verschillende baantjes. En nu kan de muziek maken die ik wil maken en zingen zoals ik wil zingen. Het frustreerde me toen niet, omdat ik nog steeds wel zong. Ik ben altijd aan het zingen. Maar covers zingen met de wedding band vond ik prima.”

Nu vindt het publiek die oude sound opeens weer geweldig. Vind je dat raar?
“Het is niet opeens, want dit doen we al 12 jaar. Het is niets nieuws. Het is leuk dat nu meer mensen het beginnen te horen en het wat meer mainstream wordt. Ook door Amy Winehouse. Mensen worden er nu attent op gemaakt. Ze zien het op MTV. Daar ga je.”

Je band The Dap-Kings werkte met Amy Winehouse samen op haar succesalbum Back to Black. Hoop je dat je ook zo groot wordt?
“We zijn op weg. Misschien. Ik weet het niet. Zolang we kunnen doen wat we willen doen. Ik wil niet groot worden en dat ze gaan proberen onze stijl te veranderen. Zolang we kunnen doen wat we willen doen, ja dan wil ik wel zo groot worden.”

Ik krijg wel eens het verwijt dat ik een ouwelullensmaak heb, omdat ik veel naar oude muziek luister. Zeggen mensen dat ook wel eens tegen jou?
“Nee. Haha! Want onze muziek is niet oud, het is nieuw. Wij spelen onze muziek nu. Wij spelen muziek uit 2007. Het is geen oude muziek.”

Maar het klinkt natuurlijk wel oud.
“Ja, het is goede muziek. Dat is alles. Het is niet oud, hahaha! Zolang het maar goede muziek is, en dat klinkt zo.”

Heb je wel eens overwogen om meer hedendaagse invloeden in je muziek te gebruiken?
“Nee. En wat ons label Daptone de laatste 10 jaar uitbrengt ook niet. Daar gaat het ons niet om.”

Zou het werken?
“Nee, want dat willen we niet. We proberen geen muziek van vandaag de dag te maken, daar gaat het ons niet om.”

Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.

zaterdag 6 oktober 2007

Montana is de man

Vraag jongeren naar een ruige gangsterfilm en ze komen negen van de tien keer met Scarface. Ook al is die film twee keer zo oud als zijzelf. ‘Tony Montana is mijn grote voorbeeld.’

Wie MTV kijkt, kent Scarface. Rappers dwepen met de film. Ze gebruiken samples op hun platen en in huizenshow MTV Cribs zijn ze even trots op hun Scarface dvd als op hun batterij auto’s. Onder invloed van de straatcultuur en de bijbehorende hiphopmuziek stikt het ook van de minderjarige Tony Montana-adepten. Zo kan het dat Scarface populair is bij jongeren die nog niet eens waren geboren toen Oliver Stone, vechtend tegen zijn eigen drugsverslaving, in 1983 de ultieme, snuivende en schietende antiheld creëerde. Net als veel rappers vecht Tony Montana zich van niks naar de top. En dat met behoud van zijn principes. Dat verdient maar één woord: respect.

En respect geniet Scarface krap 25 jaar na dato nog steeds. Zelfs meer dan bij de release toen critici het gangsterepos afschilderden als overdreven gewelddadig. Was The Godfather nog elegant, dit was vulgaire vuilbekkerij. Met moeite kwam de film door de keuring. Bezinning kwam met de jaren. Tegenwoordig passen de witte pakken, getinte zonnebrillen, felle neonkleuren en naveldiepe decolletés prima in het heersende trendbeeld dat sterk teruggrijpt op het decennium waarin overdaad hoogtij vierde. Goud, stapels geld en bergen coke oneindig vermenigvuldigd door glimmende spiegels.

De film vertelt het verhaal van Tony Montana, een arme Cubaanse vluchteling die in het land van de onbegrensde mogelijkheden binnen no-time een cocaïne-imperium opbouwt. Een glansrol van Al Pacino, die deze rol tot zijn beste werk rekent.

Scarface is een remake van de gelijknamige film uit 1932. Scriptschrijver Oliver Stone en regisseur Brian DePalma ruilden de Italiaanse mobsters uit Chicago in voor Cubaanse immigranten in Miami. ‘Het gaat om minderheden’, zegt Scarface-fan Peter Schong. ‘Dat is tijdloos en universeel. Nu zouden het waarschijnlijk moslims zijn.’

Moslim of christen, blank of zwart, op straat noemen jongens zich Tony en in de huiskamer schieten ze erop los in het op de film gebaseerde computerspel. Mensen lopen in Scarface T-shirts of hebben een Scarface-ringtone op hun mobiel.

In Zomergasten vertelde Bram Moskowicz, raadsman van menig onderwereldfiguur, een plaat van Tony Montana in zijn kantoor te hebben hangen. Kortom, Tony Montana is een idool. Een rondje straat en een google-actie leverden de nodige fans op. Zij vertellen wat de film zo goed maakt aan de hand van beroemde Scarface-citaten.

Say hello to my little friend

De dodelijke combinatie van humor en geweld. In de bloederige finale laat Tony Montana ongewenste Boliviaanse gasten kennismaken met zijn ‘little friend’, een M16 geweer met granaatwerper. Hij doorzeeft hen met kogels vanaf het balkon in zijn riante optrekje vlak voordat hij zelf aardig lek eindigt in zijn marmeren huisfontein.

‘De realiteit in de onderwereld’, meent Suresh ‘Suurtje’ Oedit (20). Zittend op de trap in een portiek vallen zijn broertjes Ashwin ‘Chuchaluv’ (16) en Anand ‘Anoe’ (18) hem bij. ‘Zo is het leven op straat in de Amsterdamse onderwereld, zeker weten. Nog steeds trouwens met Holleeder die vastzit enzo.’

Bij de release van Scarface in 1983 sloegen critici stijl achterover van het geweld. De scène met de kettingzaag in de douche was smakeloos. De broertjes Oedit vinden dat onzin. ‘Je ziet niks. Oké, een klein beetje bloed. In andere films zie je mensen echt uit elkaar ploffen.’

All I have in this world is my balls and my word and I don’t break ‘em for no one
De integere boef. Een gangster met principes. Het is gemakkelijker sympathie op te brengen voor een man die weigert een auto met vrouw en kinderen op te blazen dan voor een gewetenloze killer.
‘Tony Montana is zo’n lompe boer dat het wel weer aandoenlijk is’, vindt Peter Schong (30) uit Amersfoort. Al veertien jaar is hij fan van Scarface. ‘Ik ken de film door hiphop, de samples van de Geto Boys.’
De film heeft behoorlijk gewonnen aan populariteit volgens Schong. ‘Ik hoor jongeren er te pas en te onpas uit citeren terwijl tien jaar geleden heel weinig mensen het verhaal kenden. Weer zo’n vage film van Peter, dachten mijn vrienden. Nu weten ze wel beter. Er gaat een enorm charisma uit van Tony Montana.’

Schong bezocht zelfs een filmlocatie in New York. ‘Van die autobom. In Amerika kun je alles kopen van Scarface. Actionpoppen die kunnen praten. Super, maar 200 dollar ging me wat te ver.’ Bij zijn verhuizing vond hij een reuzeposter van vroeger. Hij hing hem niet op. ‘Eigenlijk vind ik het jammer dat de film zo mainstream is geworden. En bovendien heeft mijn vriendin liever geen plaat van een man met geweer en bloedvlekken in de huiskamer.’

You know what? Fuck you
Het schelden was nog iets waar puriteins Amerika over struikelde begin jaren tachtig. In de film van 170 minuten wordt het F-woord 207 maal gebezigd. Dat is gemiddeld 1,22 fucks per minuut. Emre Eskiyenenturk (23) uit Zaandam zag de film voor het eerst toen hij dertien was.

‘Hij kwam op tv en mijn moeder zei dat ik hem echt moest checken. Ik vond hem meteen geweldig. Het is een aparte gangsterfilm. Harder, extremer, grover dan andere maffiafilms. En op die leeftijd hoor je alleen maar fuck, fuck en fuck.’

Lange tijd was Scarface zijn bijbel. ‘Elke avond keek ik de film voor het slapengaan. Zeker 500 keer. In die tijd had ik zelf ook vrij weinig. Iedere dag op straat met een jointje weet je wel. In de film gaat Tony van niets naar iets. Ik dacht dat ik zelf ook ooit een grote klapper kon maken. The world is yours.’ Omdat hij alle dialogen kende, werd Emre door zijn vrienden op straat regelmatig Tony genoemd. ‘Ik gebruik de film nu niet meer als leidraad maar ik heb wel geleerd vol te houden, hard te blijven. Ik maakte mijn studie af en heb nu een baan. Door Scarface ben ik van een jongetje naar een man gegaan.’

Chi Chi, get the yeyo
Scarface zorgde voor inburgering van het Spaanse ‘yeyo’, dat cocaïne betekent. De voorlichter van het Trimbos-instituut, landelijk kenniscentrum voor verslavingszorg, kent zijn klassiekers. ‘Scarface is dé cokefilm’, lacht hij. In de Nationale Drug Monitor 2006 komt een normalisering van het cocaïnegebruik naar voren. Met uitzondering van Amsterdam lijkt de drug onverminderd populair te zijn, met name in trendy clubs, discotheken en cafés. Daar gaat cocaïne vaak samen met alcohol.

Volgens het rapport wordt de overmatige consumptie van alcohol in het uitgaansleven genoemd als een van de redenen van de groeiende populariteit van cocaïne. Cocaïne zou een ontnuchterend effect hebben waardoor men langer en meer zou kunnen drinken. ‘Die hele coke business in de film is aantrekkelijk’, zegt filmfan Emre Eskiyenenturk. ‘Ik zie gasten die her en der dealen en Tony als voorbeeld nemen

Never get high on your own supply
Het zou geen Hollywoodfilm zijn als de boef, zelfs als hij sympathiek is, wegkomt met alle overtredingen. Evenredig met de groei van zijn imperium, gaat het bergafwaarts met Tony Montana. Bergen wit poeder verdwijnen in zijn eigen neus. Hij vertrouwt niemand meer en drijft degenen van wie hij houdt, zoals zijn zusje, steeds verder van zich af met zijn agressie en verstikkende jaloezie. Zijn vrouw gaat bij hem weg. In een vlaag van verstandsverbijstering keert hij zich zelfs tegen zijn beste vriend en zakenpartner Manolo. Volgens rappers als P. Diddy, Snoop Dogg, Andre3000 en Eve doe je dat simpelweg niet. Daarmee schend je een ongeschreven code, zeggen ze in Origins of a Hip Hop Classic dat als extra op de special edition dvd staat.

Volgens Eve gaat het zo met succes: hoe meer je hebt, hoe meer je wilt, hoe meer je nodig hebt. Op een gegeven moment is het op. Overmoed wordt gestraft. Niet alleen een klassieke les uit de Griekse oudheid, ook uit Scarface.

Don’t get confused Tony; I don’t fuck around with the help

Zodra Elvira (een van de eerste rollen van Michelle Pfeiffer) verschijnt in haar sierlijke blauwgroene avondjurk is het Tony duidelijk: hij moet en zal haar hebben. Dat ze het vriendinnetje is van de baas is slechts een klein ongemak. Dat ze niets van hem moet hebben ook. Tony Montana is het typische haantje: borst vooruit en bang voor niks en niemand. Natuurlijk gaat Elvira toch overstag voor zijn charme, macht en geld. Later is het juist de afhankelijke Elvira die op tijd inziet dat alles instort, tegen hem in opstand komt en vertrekt.

Scarface blijft vooral een mannenfilm. ‘Natuurlijk ken ik Scarface’, roept Karim Elbouad (17). Hij onderbreekt zijn potje pool in het café van jongerencentrum Argan aan de Amsterdamse Overtoom en gaat rechtop staan. ‘Tony Montana is mijn grote voorbeeld.’ Hetzelfde geldt voor Nordin Bouali (16). ‘Geweld, geld, cocaïne. Een waargebeurd verhaal is het toch?’

Elbouad kent ook meisjes die de film ‘diggen’, maar dan om Michelle Pfeiffer. Esmy en Jacintha (‘nee geen achternamen’) snappen dat. De 15-jarigen delen een patatje bij McDonald’s in winkelcentrum de Amsterdamse Poort in de Bijlmer. ‘Zij is juist stoer want ze gaat op tijd weg’, zegt Esmy.

Maar de bergen goud en geld spreken ook de meiden aan. Jacintha: ‘Iedereen wil toch rijk zijn? Ik krijg ook graag dingen van jongens. Kijk, zoals dit armbandje. Echt goud.’

Dit artikel verscheen eerder in De Pers op Zaterdag. Auteur: Tisha Eetgerink

woensdag 15 augustus 2007

Betty Davis: Flamboyante funkdiva



Ze maakte de lawaaierigste funkplaten ooit. Ze presenteerde zich als seksueel roofdief. Zelfs haar echtgenoot Miles Davis kon haar niet aan. Toen werd het stil. Nu zijn haar vergeten klassiekers uit de vroege jaren zeventig eindelijk heruitgebracht. Get ready for Betty!

Muziek is Betty Mabry met de paplepel ingegoten. Haar eerste levensjaren bracht ze door op de boerderij van haar grootmoeder in North Carolina. Oma Beulah Blackwell was een bluesfanaat die zichzelf zag als opvolger van Bessie Smith. Ze was in het trotse bezit van een uitgebreide platencollectie “om van te watertanden”.

Geboren in 1945 begon Betty op haar tiende al muziek te schrijven. “Tijdens de afwas circuleerden er allerlei door mijzelf uitgedokterde deuntjes door mijn hoofd”, aldus Betty ruim dertig jaar geleden in Muziekkrant Oor. “Het eerste nummer dat ik schreef heette The Cake Of Love en bevatte de memorabele regel: We’re gonna bake that cake of love, baby, just you and me.”

Als middelbare scholiere kreeg Betty haar eerste platencontract te pakken bij Don Costa, de prominente producer die had samengewerkt met Frank Sinatra, Sammy Davis Jr., Paul Anka en Tony Bennett. Nog zonder diploma op zak nam Betty haar eerste single op, Get Ready For Betty. Veel succes had het plaatje niet, maar de piepjonge artieste bezat wel degelijk potentie.

Na haar eindexamen vertrok Betty, inmiddels woonachtig in Pittsburgh, Pennsylvania, naar New York om te gaan studeren aan het Fashion Institute. De beeldschone jongedame werkte daarnaast als model in modeshows en reclamespotjes. Met haar vriend opende Betty een soulclub, de Step-Down Cellar. Zo groeide ze uit tot een prominente figuur in de hippe New Yorkse tegencultuur.

De muziek liet Betty echter niet los. Met de Zuid-Afrikaanse jazztrompettist Hugh Masakela als producer nam ze de single Live, Love, Learn op, maar ze maakte pas naam met haar nummer Uptown in de versie van The Chambers Brothers op hun inmiddels veertig jaar oude succesalbum The Time Has Come.



Overspel
Tijdens de Summer of Love kwam Miles Davis in het leven van Betty Mabry. Het gebeurde na een optreden van de legendarische jazztrompettist in The Village Gate. Een van zijn medewerkers klopte op haar schouder. “Meneer Davis vraagt of u wat met hem wil drinken?”

Ondanks het leeftijdsverschil van bijna twintig jaar werden ze verliefd. Een jaar later trouwden ze, maar het huwelijk slechts kort standhield, duurde het lang genoeg om Davis voorgoed te veranderen. “Betty had grote invloed op mijn persoonlijke en muzikale leven”, zou hij twintig jaar later schrijven in zijn autobiografie.

“Toen ik hem ontmoette luisterde hij naar Stravinsky en Rachmaninoff”, zei Betty twee jaar terug in het Britse muziekblad Mojo. “Daarna begon hij pas naar Otis Redding en Sly & The Family Stone te luisteren. Hij nam mijn persoonlijkheid over.”

"Toen ik Miles ontmoette luisterde hij naar Stravinsky en Rachmaninoff. Daarna begon hij pas naar Otis Redding en Sly & The Family Stone te luisteren"

Op Filles de Kilimanjaro, met Betty’s portret op de hoes, was de verandering al hoorbaar. Vervolgens liet Davis met In A Silent Way de jazz definitief achter zich om aan de haal te gaan met rock, hetgeen in 1969 culmineerde in de fusionklassieker Bitches Brew (volgens Betty suggereerde zij die titel, nadat Miles het album eerst Witches Brew wilde noemen). De maatpakken werden verruild voor een hippe garderobe van leer en suède.

Betty stelde Davis voor aan Jimi Hendrix, een goede vriend van haar. De twee revolutionaire muzikanten speelden vaak samen als Jimi op bezoek kwam. Naar verluidt waren ze zelfs van plan de studio in te gaan, maar de plotselinge dood van Hendrix goeide roet in het eten, aldus de lezing van Davis zelf.

Waarschijnlijker is echter dat zijn vermoeden dat Betty overspel pleegde met Hendrix de werkelijke reden is waarom het project nooit van de grond kwam. Betty zelf heeft overigens steeds categorisch ontkend dat haar relatie met de übergitarist verder ging dan alleen vriendschap.



Hoe dan ook, het huwelijk strandde, mede door het grote leeftijdsverschil. “Betty was te jong en wild voor wat ik van een vrouw verwachtte. Ik was gewend aan coole, hippe, elegante vrouwen als Frances of Cicely, mijn eerdere echtgenotes, die raad wisten met allerlei situaties. Maar Betty had een vrije geest van een rocker en een straatmeid. Ze was ruig en ordinair, alles draaide bij haar om seks.”

"Betty was ruig en ordinair, alles draaide bij haar om seks"

Betty op haar beurt beklaagde zich juist dat de trompettist bang was dat zij hem artistiek zou overvleugelen. Een album dat Betty opnam met hulp van Hendrix en zijn ritmetandem Billy Cox en Mitch Mitchell, aangevuld met saxofonist Wayne Shorter en drummer Tony Williams uit Davis tweede grote kwintet, werd op aandringen van haar man achtergehouden. “Miles wilde niet dat ik iets deed. Hij dacht dat als ik hem zou verlaten als ik succes kreeg. Hij was erg onzeker”, vertrouwde ze Mojo toe. Die onzekerheid manifesteerde zich trouwens ook in fysiek geweld. “Om die reden liep ons huwelijk stuk.”

Explosie
Na haar scheiding besloot Betty Davis zich op de muziek te storten. Ze nam enkele nummers op met een vroege bezetting van The Commodores, maar ook die werden nooit uitgebracht. Met hulp van nota bene Marc Bolan van T. Rex probeerde ze in Groot-Brittannië tevergeefs een platencontract te scoren. Terug in New York ontmoette ze Santana-percussionist Mike Carabello, waarop ze naar San Francisco verkaste. Daar tekende Woodstock-organisator Michael Lang haar voor zijn nieuwe label. Carabello bracht Betty in contact met Greg Errico, de drummer van Sly & The Family Stone. Hij wilde wel als haar producer fungeren en stelde een droomband samen: gitaristen Neal Schon en Douglas Rodriguez van Santana, bassist Larry Graham van The Family Stone, diverse blazers van Tower of Power, toetsenist Merl Saunders en als achtergrondzangeressen The Pointer Sisters. “Het was de who’s who van de Bay Area”, aldus Errico. “Betty had een visie. Ze begon meteen allerhande ideeën te neuriën door de telefoon. En ze wou veel rockgitaren. Ze speelde zelf geen instrument, het zat allemaal in haar hoofd.”

Betty’s titelloze debuut uit 1973 is een sterk album, zij het een tikkeltje onevenwichtig. Ze kwam pas echt goed op dreef op het ongemeen explosieve They Say I’m Different van een jaar later. Geen sterren als begeleiders deze keer, maar de funk is er niet minder hoogstaand om en het geluid nog harder en rauwer. In het titelstuk zingt Betty over haar bluesminnende oma en brengte ze een hommage aan grootheden als Bessie Smith en Robert Johnson.

Berucht is He Was A Big Freak, over een minnaar die in bed graag gegeseld wordt met een turkooizen ketting. Het gerucht ging dat Betty over Jimi Hendrix zong. “Jimi was niet de inspiratie. De turkooizen ketting wel, want hij hield van die kleur. Ging het dan over Miles? Nee hoor, het ging over niemand in het bijzonder.”



Aanstoot
Op het hoogtepunt van de seksuele revolutie en de strijd om de vrouwenemancipatie manifesteerde Betty Davis zich als een genadeloze mannenverslindster. “Ze vond dat vrouwen te onderdanig waren”, vertelde Chuck Mabry, haar broer en toenmalige manager. “Als Betty vandaag de dag nog muziek zou maken, liet ze zich vergelijken met Madonna. Ze was haar tijd vooruit”, schreef Miles Davis in zijn autobiografie. Evenals La Ciccone was Betty een steen des aanstoots onder religieuze groeperingen, die soms met succes probeerden haar muziek van de radio te weren en optredens te laten verbieden.

"Als Betty vandaag de dag nog muziek zou maken, liet ze zich vergelijken met Madonna. Ze was haar tijd vooruit"

In Groot-Brittannië en met name Londen viel Betty’s werk in betere aarde en bouwde ze tevens een uitstekende livereputatie op, mede dankzij een reeks sensationele optredens in de roemruchte club Ronnie Scott’s. Niemand minder dan Eric Clapton bood zelfs aan om haar derde album te produceren, maar Betty had er geen oren naar, 'omdat hij volgens mij geen snars van mijn muziek begrijpt'.

Commercieel gezien deden haar beide albums in de Verenigde Staten zo goed als niets. Betty raakt haar platencontract kwijt, maar via haar nieuwe vlam Robert Palmer, de Britse zanger annex rokkenjager die indertijd botergeile funky soul maakte, kwam ze toch weer aan de bak. Met een groep onbekende muzikanten uit North Carolina die zich Funk House gingen noemen (bestaande uit haar neven Semmie "Nickey" Neal Jr. op drums en Larry Johnson op bas, plus gitarist Carlos Morales en toetsenist Fred Mills) maakte ze in 1975 het opzwepende Nasty Gal. Harde, vuige, genadeloze heavy metal funk voert de boventoon, al toont Betty zich in het door Miles Davis en Gil Evans gearrangeerde You and I ook onverwacht van haar gevoelige kant, zeker waar ze zich omschrijft als “slechts een kind dat een vrouw probeert te zijn”.



Verloren album
Net als de beide voorgangers werd Nasty Gal een enorme flop. In de zomer van 1976 boekten Betty en Funk House een maand lang de state-of-the-art Studio in the Country in de moerassen van Louisiana, voor wat haar vierde album moest worden. Pas 33 jaar later, in 2009, zag Is It Love Or Desire het levenslicht, toen Light in the Attic Records de mastertapes opduikelde en uitbracht.

Waarom het album in de bureaula verdween is onduidelijk. Manager Jim Bateman van Studio in the Country beweerde - beaamd door de bandleden - dat Island de rekening niet betaalde en daarom de opnames niet kreeg. Betty schreef het toe aan rancune van Chris Blackwell vanwege een ruzie tussen haar en de Island-baas. "Die ging over Nasty Gal. Hij wou Talkin' Trash als single uitbrengen, maar wilde mij er niet in kennen. Daarom is dat album niet gereleased. Het was iets tussen hem en mij." Island dumpte Betty Davis vervolgens, waarmee ook het lot van Is It Love Or Desire werd beslecht, nu Island het niet wou uitbrengen en Betty nergens meer onder contract stond. Wel zouden nummers van het album in de jaren negentig opduiken op de bootlegs Hangin' Out in Hollywood en Crashin' From Passion.



Volgens de band was Is It Love Or Desire Betty's beste album, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het meer van hetzelfde biedt. Op het album schoof Betty haar frustraties over de muziekindustrie niet onder stoelen of banken, met zelfs een openlijke aanval op Island: "We need some money, oh hey hey Island!", sneert ze op Stars Starve, You Know. Ook had ze een broertje dood aan disco, die toen de populariteit van funk voorbij begon te streven. "Take off that disco and put on some real music", foetert ze op Bottom of the Barrel. "We're tired of listening to that rinky-dinky sounds."

Na het debacle trok Betty zich dan ook voorgoed terug om vrijwel van de aardbodem te verdwijnen, teleurgesteld en depressief door de dood van haar vader. Tegenwoordig woont ze weer in Pittsburgh, waar ze een sociaal woningbouwflatje deelt met een vriendin. De mediamijdende Betty liet zich echter wel voor de camera interviewen voor de documentaire Nasty Gal - The Many Lives of Funk Queen Betty Davis die in 2016 moet verschijnen.


NASTY GAL - Movie Teaser from Native Voice Films on Vimeo.

Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven en werd in 2009 en 2015 geactualiseerd.

vrijdag 15 juni 2007

Jazzmatazz - Het businessplan van Guru en Solar

Foto: Barbara Mürdter

Een advies aan alle journalisten die Guru gaan interviewen: begin niet over Gang Starr. De ter ziele zijnde hiphop-supergroep waarvan de rapper deel uitmaakte, ligt gevoelig. Maar goed, Guru, Superproducer Solar en ik waren naar Amsterdam gekomen om over hun nieuwe Jazzmatazz album te praten. The Hip Hop Jazz Messenger: Back to the Future, het vierde deel uit de reeks waarop Guru hiphop en jazz samensmelt, ligt in juni in de winkel.


Een snikhete middag in april in een Amsterdams café. Het is er lawaaierig. Door de openstaande ramen komt de herrie van de stad naar binnen. Verschillende keren worden Guru, Solar en ik door dezelfde stratenveger onderbroken omdat het geluid ons overstemt.

Ik heb net het onderdeel Jazzmatazz afgesloten als ik Guru enkele vragen over Gang Starr wil stellen. Een kleine twee jaar geleden zetten Guru en DJ Premier een punt achter hun invloedrijke en toonaangevende samenwerking. Wat de reden voor de beëindiging was is onduidelijk. Als ik ernaar vraag, slaat de sfeer om.

Oud nieuws
“Ik heb niet het gevoel dat dat enige relevantie heeft met betrekking tot Jazzmatazz”, zegt Guru zakelijk. “Het is oud nieuws.”

“Dat is een heel ander interview”, valt Solar gepikeerd in. “Het leidt af. We willen ons totaal focussen op dít album. Het is niet eerlijk naar de fans toe. Er zijn Jazzmatazz fans die geen Gang Starr fans zijn. Als je ons apart wil interviewen over Gang Starr, moet je een nieuwe afspraak maken.”

“Ik voel enige spanning, ligt het zo gevoelig?”, vraag ik.

“We hebben een businessplan”, fulmineert Solar. “We hebben een marketingplan en we zijn hier niet om over onderwerpen te praten die niet met het album te maken hebben.
Je gaat ook niet naar een talkshow om over twintig andere dingen te praten, je praat over wat je aan het doen bent. Misschien is het Amerikaans, maar zo doen we dat. Het spijt me als de platenmaatschappij dat niet aan je heeft uitgelegd.”

“Ik vind het geweldig dat je een fan bent hoor”, voegt Guru toe op een bemiddelende toon. “Maar het is oud nieuws. Hou het up-to-date.”

Pijnlijk
Businessplan m’n neus. Ik zal niet de eerste journalist zijn die naar Gang Starr vraagt en Guru is het beu. Misschien was het beëindigen van een bijna twintig jaar lange samenwerking en vriendschap pijnlijk.

Bovendien wordt Guru’s solowerk – zeker in hiphopkringen – lager aangeslagen dan zijn werk met Premier. En dat is wellicht ook het minderwaardigheidscomplex van Solar, die natuurlijk altijd in de schaduw staat van Guru's illustere ex-partner, een van de beste producers die hiphop rijk is. Maar dat is speculatie.

Terzake. Daarvoor moet de band teruggespoeld worden, want het onderwerp Jazzmatazz hadden we al afgerond. Brand maar los over de nieuwe plaat.

“Jazzmatazz Volume 4 – The Hip Hop Jazz Messenger: Back to the Future is vijftien nummers van ongelofelijk intense nieuwe hiphop”, vertelt Guru. “Weet je, Jazzmatazz is een genre op zich. Dus binnen het Jazzmatazz genre krijg je hiphop en jazz als de basis, maar ook een element van soul, R&B, reggae, rock&roll en funk. Je krijgt je favoriete rapper op een nieuw level met een nieuwe producer die een prachtig landschap voortbrengen met al deze fantastische artiesten die samenkomen, sommigen zijn legendes en anderen up-and-coming artiesten.”

Op de voorgaande Jazzmatazz albums werkte Guru samen met niet de minste muzikanten: de trompettisten Donald Byrd en Freddie Hubbard, vibrafonist Roy Ayers, pianisten/toetsenisten Herbie Hancock en Ramsey Lewis, saxofonisten Branford Marsalis (Guru’s voormalige huisgenoot, die met zijn Buckshot LeFonque project zelf ook aan de haal ging met hiphop en jazz) en Kenny Garrett, soulzangeressen Chaka Khan, Erykah Badu, Angie Stone, Macy Gray en Kelis. Ook deze keer kon Guru rekenen op de steun van imposante namen.

“David Sanborn, Common, Blackalicious, Damian Marley, Caron Wheeler, Vivian Green, Dionne Farris, Ronnie Laws, Bob James”, somt Guru op. En nog meer.

Jazzrap
Guru heeft zijn liefde voor jazz nooit onder stoelen of banken geschoven. Al op het eerste album van Gang Starr, No More Mr. Nice Guy (1989) stond het nummer met de veelzeggende titel Jazz Music. Een jaar later leverden Guru en Premier het nummer Jazz Thing voor de soundtrack van Spike Lee’s Mo’ Better Blues. De pers, die altijd graag een etiket ergens op plakt, sprak van jazzrap. Een term die Guru afwees, want Gang Starr maakte pure hiphop, waarbij gebruik werd gemaakt van jazzsamples. Al was dat eigenlijk niet helemaal waar, de meeste samples kwamen van funkplaten (o.a. Maceo Parker en Fred Wesley) en zelfs van folkrockers The Band. ‘Jazzrap’ was hot begin jaren negentig. A Tribe Called Quest putte dankbaar uit de jazz en werkte samen met bassist Ron Carter, groepen als Digable Planets lieten zich door jazz inspireren en trompettist Miles Davis werkte aan een hiphop-jazz album (Doo-Bop) toen hij in 1991 overleed.

Fusie
In 1993 maakte Guru de eerste volwaardige crossover naar jazz met het eerste Jazzmatazz album. Inmiddels is er dus deel 4. Wat is het verschil met de eerste drie delen?

Guru: “Het nieuwe element is dat er in mijn ogen meer cohesie is tussen de muziek, de stemmen, zeer strakke, vooruitstrevende productie.”

Solar: “De productie is diepgravender. Ik heb mijn huiswerk gedaan; ik heb de eerste drie albums bestudeerd, de sterke en zwakke punten geanalyseerd. Voor inspiratie en motivatie besloot ik terug te gaan naar de begintijd van jazz. Waar is het ontstaan? In New York. Net als hiphop. Jazz is geschapen door zwarte muzikanten die de economische crisis in de jaren dertig in het Zuiden ontvluchtten en naar New York, naar Harlem trokken. Er waren Afro-Caribbeans, invloeden uit Afrika, klassiek geschoolde muzikanten uit Europa en blanke muzikanten, die samenkwamen. Dus jazz is op zichzelf al een fusie van verschillende stijlen.”

Groove
“En om een lang verhaal nog langer te maken,” vervolgt Solar. “Ik ben gaan zitten en ik heb boeken en dvd’s doorgenomen, platen van Blue Note enzo, alles wat ik kon vinden. Vervolgens probeerde ik te begrijpen hoe dit zich heeft ontwikkeld. Ik luisterde naar John Coltrane. Hij had een groove, bestaande uit contrabas en drums (imiteert de muziek), en de groove leek sterk op een groove van Bernard Edwards (imiteert de het basloopje van Good Times van Chic). Dus Bernard Edwards speelt contrabas op zijn elektrische bas. En toen vielen de puzzelstukjes op hun plaats. Toen begreep ik waarom mensen zeiden dat Steely Dan, een rockgroep, jazz was, of dat Earth, Wind and Fire jazz was. Dat begreep ik voorheen nooit. En toen kreeg ik inspiratie.”

Koppel
“De basis van dit Jazzmatazz album is een hommage aan wat er uit jazz is voortgekomen, niet om terug te gaan en jazz te maken. En hiphop en jazz zijn een natuurlijk koppel. Daarom hebben we Bob James op het album. Bob James heeft de beroemdste jazzbreak die is gesampled (Take Me to the Mardi Gras).”

Fastforward naar het einde van het interview. In mijn tas brandde een Gang Starr lp die ik graag wilde laten signeren. Je bent toch ook een fan. Ik durfde de plaat bijna niet meer tevoorschijn te halen, maar waagde het toch. Guru vond het geen probleem en zette een krabbel op de hoes. Solar kon het niet laten nog even een trap na te geven. “Je wil natuurlijk dat Premier hem ook tekent. Dan kun je wachten tot je een ons weegt.”

Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.

Dennis Coffey: Man achter de schermen

Met zijn buitenmodel bril, lange blonde lokken en ongetrimde baard leek Dennis Coffey als twee druppels water op hippieleraar David Van Driessen uit Beavis and Butt-Head. Onder funkfans en samplejagers geldt de blanke soulgitarist uit Detroit als niets minder dan een levende legende.

In zijn jonge jaren houdt Dennis Coffey van country, maar op de middelbare school verdiept hij zich in rock ’n’ roll, blues en jazz, waarbij Chuck Berry en Wes Montgomery hem als beginnend gitarist inspireren. Op zijn vijftiende heeft hij al zijn eerste professionele klus: spelen op I’m Gone van de obscure rockabillycat Vic Gallon. Begin jaren zestig voegt Coffey zich bij The Royaltones, die een paar kleine hits hebben gescoord en sessiewerk doen voor onder anderen Del Shannon. Later vormt hij een duo met zanger Durwood Hutto. Intussen studeert hij muziek aan de Wayne State University in Detroit.
Als hij een contract tekent bij Nat Tarnopol, de manager van soulcoryfee Jackie Wilson, komt de carrière van Coffey pas echt op gang. Via Tarnopol komt hij in contact met platenbons Berry Gordy, maar vooralsnog doet hij niets voor Motown, maar werkt hij als sessiemuzikant voor Ric-Tic. Zo is hij te horen op S.O.S. (Stop Her On Sight), een hit van Edwin Starr uit 1966. Vervolgens speelt Coffey op vergeten klassiekers als Open The Door To Your Heart van Darrell Banks, Competition Ain’t Nothing van Carl Carlton en Happiness Is Here van Tobi Larks. Stuk voor stuk nummers die van grote invloed zijn geweest op de Britse Northern Soul.
Fuzzy
Pas in 1968 begint Coffey dan eindelijk bij Motown, net op het moment dat de artiesten op dat label de kauwgomballensoul hebben afgezworen om serieuze muziek te gaan maken die aansluit bij de tijdgeest. The Temptations bijvoorbeeld slaan met Dennis Edwards als vervanger van David Ruffin onder leiding van producer Norman Whitfield een funky psychedelische richting in. Coffey is verantwoordelijk voor de vervormde wahwah-gitaar op Cloud Nine, een hip nieuw geluid dat in de funk veel navolging vindt.
Daarnaast is hij te horen op meer dan honderd platina en gouden platen, waaronder hits van Stevie Wonder, Diana Ross, Marvin Gaye, Four Tops, Gladys Knight, Quincy Jones, Barbra Streisand en Ringo Starr.
Samen met sessiedrummer Mike Theodore begint Coffey een productiebedrijfje onder de naam Theo-Coff. Met een demo van de blue-eyed soulgroep The Sunliners, later omgedoopt tot Rare Earth, slepen ze een deal in de wacht bij Maverick, een dochter van MGM. Een half jaar later krijgt Coffey bovendien een contract als soloartiest. Zijn debuut Hair & Thangs uit 1969 bevat covers van krakers uit de hippiemusical Hair, aangevuld met nummers als It’s Your Thing van The Isley Brothers, dat in zijn versie zowaar de hitlijsten haalt. Het elementaire, harde en vuige album klinkt met zijn fuzzy gitaarspel, funky ritmes en industriële geluid als een futuristische kruising van The Meters en The White Stripes.
Funky
Als Maverick kort na het verschijnen van Hair & Thangs wordt opgeheven, verhuist Dennis Coffey met Rare Earth naar Motown, waar hij meespeelt op onverwoestbare klassiekers als War van Edwin Starr en Band Of Gold van Freda Payne. In 1971 stapt hij over naar Sussex, het nieuwe label van voormalig Maverick-baas Clarence Avant, waarna zijn solocarrière een plotselinge vlucht neemt. Met Scorpio haalt hij zelfs de top tien, terwijl de opvolger Taurus eveneens hoog scoort. Begeleid door The Detroit Guitar Band maakt hij de albumtrits Evolution, Goin’ For Myself en Electric Coffey, die twee decennia later voor menig hiphopper een rijke bron voor samples blijken. Zo duikt alleen al het superfunky Scorpio op bij zulke uiteenlopende grootheden als Public Enemy, LL Cool J, Queen Latifah, Moby en Rage Against The Machine.
Als Coffey in 1974 overstapt naar het label Westbound produceert hij een aantal discohits, waaronder We Got Our Own Thing van CJ & Co en Love Machine van The Tempest Trio. Daarnaast tekent hij voor de geslaagde soundtrack van de low-budget blaxploitationfilm Black Belt Jones rond de zwarte karatekampioen Jim Kelly. Zijn soloplaten uit die periode zijn zowel artistiek als commercieel beduidend minder succesvol. Wanneer Westbound begin jaren tachtig wordt opgedoekt, pakt Coffey het sessiewerk weer op om tegen het eind van dat decennium zijn comeback te maken met het fusionachtige Under The Moonlight. Sindsdien is het vergeefs wachten op een volgende soloplaat, maar wel publiceerde hij een jaar of drie geleden zijn autobiografie Guitars, Bars And Motown Superstars. En bij tijd en wijle staat Dennis Coffey op een podium van een kleine club ergens in de Verenigde Staten met een stel begeleiders een avondje lekker gitaar te spelen.


Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.

donderdag 15 februari 2007

Bach, Beethoven en Brown

Of het verhaal waar is weet ik niet, maar het is te mooi om niet te vertellen. Lang geleden verloor James Brown tijdens een optreden zo veel zweet dat hij een hartaanval kreeg. Minutenlang lag James levenloos op het podium en was al opgegeven. Plots sprong hij op en ging onverstoord verder met de show. The hardest working man in showbusiness.

Zoals het vaak gaat met schokkend nieuws, is je eerste reactie ongeloof. Het nieuws van de dood van James Brown was onwerkelijk. James leek niet kapot te krijgen. Mr. Dynamite. Vorig jaar toerde hij als afscheidstoernee de hele wereld rond en speelde ook in onze poptempel Paradiso. Toen hij daags voor zijn dood in het ziekenhuis was opgenomen, zat James middenin een toernee en de verwachting was dat hij na zijn herstel de draad weer zou oppakken. En bovendien, zo oud was James niet: 73.

De meeste mensen zullen zich James Brown vooral herinneren om zijn problemen met de wet. Of om dat ‘discohitje’ Sex Machine. Al is dat beter dan Living in America, die godzijdank in de vergetelheid is geraakt.

Terwijl James’ oeuvre gigantisch is. Er is bijna geen beginnen aan te noemen welke fantastische nummers hij nalaat, maar hierbij een poging: Papa got a Brand New Bag, It’s a Man’s Man’s Man’s World, Please Please Please, Cold Sweat, Funky President, Hot Pants, Say It Loud – I’m Black and I’m Proud, Super Bad, I Got You (I Feel Good), The Payback, My Thang, en dan nog tientallen songs en albums.

Een gevoel voor drama kan dominee Al Sharpton niet ontzegd worden, toen hij naast James’ gouden kist in het Apollo theater in Harlem sprak: “Sommige mensen hadden Bach, anderen Beethoven. Wij hadden Brown. Hij had net zo een invloed op muziek als zij. Hij veranderde over de hele wereld het ritme van de muziek.” Maar niemand kan ontkennen dat James Brown een van de groten der aarde was. Niet alleen was hij een van de grondleggers van funk, daarmee bepaalde hij ook nog eens het basisgeluid van hiphop en zodoende ook de hedendaagse popmuziek. Ontelbare keren werd James’ muziek gesampled. Het bekendste voorbeeld is wel de beat van Funky Drummer, overigens gespeeld door Clyde Stubblefield.

Hoewel muziektheorie hem vreemd was en de opgeleide muzikanten chocola moesten zien te maken van zijn uhs, hehs en heys, was James een van de beste bandleiders ooit. De JB's waren strak gedrild als een peloton. De gevleugelde woorden "I got you" waren niet zozeer een catch-phrase, maar James die één van zijn bandleden betrapte op een fout. Na de show kwam Mr. Dynamite hem een pak op z'n lazer geven. Een strenge baas die James, maar de band was daardoor wel genadeloos en eindeloos funky.

De goede kant aan iemands overlijden is dat het een nieuwe stroom reissues op gang brengt. Vreemd genoeg zijn de befaamde concerten in de Apollo uit James' prime (1966-1976) nauwelijks te krijgen. De zaal ontplofte bijna, de temperatuur lijkt rond de 60 graden te schommelen en als je de beelden ziet, vraag je je af of er geen doden zijn gevallen.

De droomband uit die tijd (saxofonist Maceo Parker en trombonist Fred Wesley in de blazerssectie, Bootsy Collins op bas en natuurlijk Bobby Byrd als sidekick) staat in schril contrast met de derderangs band die James de laatste jaren begeleidde. James Brown zag eruit als de band die de bingoavond in een verzorgingstehuis opluistert. “De revue was geen schim van vroeger”, schreef Wilfried de Jong recentelijk in de VARA Gids. “De zwarte Maceo Parker was vervangen door een witte saxofonist met een rode paardenstaart. Dan weet je eigenlijk al genoeg.” Het leek alsof zijn muzikale erfenis James niets meer kon schelen, de hosselaar in hem die in bittere armoede was opgegroeid wilde slechts nog geld verdienen.

James Brown was niet alleen een muzikaal voorbeeld, maar ook een sociaal rolmodel. Op zijn hoogtepunt bezat hij restaurants en radiostations. Met Say It Loud - I’m Black and I’m Proud gaf hij de zwarte emancipatiestrijd een soundtrack, al was politiek verder niet aan James besteed.

Wat ik vreemd genoeg ook zal missen aan James Brown is zijn typische onverstaanbare en onnavolgbare manier van articuleren. Eddie Murphy kon James meesterlijk imiteren. “I’m getting’ ready to do my thang. Yeah! Movin’? Yeah! Groovin’? Yeah! Louh-chi-bow?”, grapt de komiek in zijn one-man-show Delirious. “Dan begint hij met zijn band te praten en verliest hij je helemaal. Zazibahnow? De band zegt: Yeah! Zayyy-ooh? Yeah! Waar de fuck heeft James het over?! Weet ik niet maar we verdienen geld, zing door!”

The Godfather of Soul is dood. En dat door hartfalen als gevolg van een simpele longontsteking. “Ik ga weg vanavond”, waren zijn laatste woorden. James Brown ademde drie keer diep in en uit, en sloot voorgoed zijn ogen.


James Brown top 5

Live at the Apollo, Vol. I (1963)
James had al de nodige hits en een uitstekende live-reputatie op zak, maar deze release uit 1963 betekende zijn definitieve doorbraak. Op deze live-registratie uit het Apollo theater – waar hij na zijn dood opgebaard lag - bevat zijn vroege hits Think en Please Please Please. Dat James een geweldenaar op het podium was is duidelijk hoorbaar, ook al kunnen we hem niet zien.

Say It Loud – I’m Black and I’m Proud (1969)
Vooral de moeite waard vanwege het legendarische titelnummer, die het thema van de zwarte emancipatiestrijd vormde. Bevat verder het genadeloze Licking Stick en diverse mooie ballads.

Black Caesar (1973)
Soundtrack van de gelijknamige Blaxploitationfilm. De funk spat ervan af op veel gesamplede nummers als Blind Man Can See It, Sportin’ Life, The Boss en de klassieker Mama Feelgood (met Lyn Collins). Een van James Browns evenwichtiger albums.

The Payback (1973)
James op de toppen van zijn kunnen, met krakers als Shoot Your Shot, Take Some, Leave Some en natuurlijk de titelsong. De tracks worden opgerekt tot lengtes van 7,5 en zelfs 12,5 minuut op deze dubbelaar. De band, bestaande uit alle kopstukken van de JB’s, krijgt de ruimte om lekker te soleren over de hypnotische funk grooves. Maar James keert ook terug naar de blues met het prachtige Doing the Best I Can en Forever Suffering. Een van James’ laatste meesterwerken.

Motherlode (1988)
Er zijn talloze compilaties met altijd weer dezelfde verzameling hits. Motherlode bevat daarentegen niet eerder uitgebracht werk uit de periode 1969-1971. Dit is hardcore funk. Hoogtepunten zijn het hypnotische Untitled Instrumental, Baby Here I Come en People Get Up and Drive Your Funky Soul. Een andere uitstekende verzamelaar is In The Jungle Groove.

Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.